Jacob Cats, Huwelijk

Huwelijk Beoordeling:4 sterren

Een nieuw jaar en direct een nieuwe recensie. Deze keer van Huwelijk van Jacob Cats. Hoewel de inhoud van het boekje en de gedateerdheid ervan het lezen soms wat saai maken, is dit toch wel een erg boeiend en goed geschreven boek. Niet alleen verschaft het de huidige lezer inzicht in de manier waarop in de 17e eeuw tegen het huwelijk aan werd gekeken, maar ook laat het de basis van onze huidige visie zien op het huwelijk, de rol van man en vrouw en de manier waarop een niet-getrouwde vrouw zich hoort te gedragen. Daarnaast is Cats een begiftigd schrijver: de diverse literaire vormen die in het boek voorkomen en de manier waarop hij zijn boodschap verwoord, aangepast aan het beoogde publiek, laten zien dat hij de taal meester was. Een mooi boekje, zeker in de Griffioenversie die ik heb gelezen.

Frits van Oostrom, Stemmen op schrift

Stemmen op schrift Beoordeling: 5 sterren

Stemmen op schrift vertelt in een breed cultuurhistorisch verhaal hoe de Nederlandse literatuur in enkele eeuwen van niet-bestaand volwassen werd. Natuurlijk komen de klassiekers van de Middelnederlandse literatuur uitgebreid aan bod,maar ook obscure teksten die tot nu toe alleen bij de specialisten bekend waren.*

Dit in meerdere opzichten eerste deel van de nieuwste Nederlandse literatuurgeschiedenis is een fantastisch mooi boek, niet alleen om in de kast te hebben staan, maar ook om te lezen. In het boek zijn de laatste onderzoeken opgenomen op het gebied van de Middelnederlandse literatuur en het boek kent een zeer brede opzet: cultuur, literatuur en een ruim gebied rondom het Nederlandse taalgebied komen aan bod.

Daarnaast is het boek zeer leesbaar geschreven: het leest alsof een fantastische geschiedenisdocent een uur lang zo prachtig vertelt dat een hele schoolklas er ademloos naar zou willen luisteren. Toch is het boek niet bedoeld voor ‘de massa’ in de breedste zin van het woord. Een zekere interesse en ‘hbo of wo werk- en denkniveau’ zijn wel een vereiste om dit boek te kunnen begrijpen en waarderen.

Wat stoort in het boek is het overdreven nationalisme dat van de bladzijdes druipt. Weet ik hoe vaak (ik heb niet de moeite willen nemen om te tellen) zijn wij de eerste in Europa, de enige in Europa, uniek of bijzonder. Jammer, want dat gaat opvallen en storen.

Tot slot nog enkele opmerkingen bij de verschillende hoofdstukken. Bij Wereld in losse woorden vond ik het vooral erg leuk om uitgebreid kennis te maken met het Oudnederlands. In mijn studie Nederlandse taal en cultuur werd hier vrij snel overheen gestapt en ik zie nu hoeveel ik daaraan gemist heb. In Veldekes Umwelt is van Oostrom soms wat te specialistisch en wijdt hij soms net wat te lang over bepaalde details uit (relatief ten opzichte van de rest van zijn tekst uiteraard). Het grote verhaal daaropvolgend is goed in balans en bevat vooral hele goede voorbeelden. Ook de conclusie van dat hoofdstuk is erg goed. De mystiek, besproken in het hoofdstuk Missie en mystiek, is niet mijn genre. Ik vond dit hoofdstuk ook wat langdradig, maar een causaal verband tussen deze twee feiten sluit ik beslist niet uit! In het laatste hoofdstuk ten slotte (Willem en Jacob) wordt je als lezer al snel moe van Van Oostroms Maerlantverering, met als absurd hoogtepunt dat Van Oostrom het doodnormaal zou vinden als de universiteit van Oxford aan Jacob van Maerlant postuum een eredoctoraat zou toekennen. Schrijf dan gewoon dat je een poster van hem boven je bed hebt hangen en een knipselmap hebt aangelegd, dan weten we ook dat je Van Maerlant een toffe peer vindt…

Al met al een geweldig boek om te lezen en de vijf sterren zijn, ondanks wat ergernissen hier en daar, zeker dik verdiend.

*Bron: Bol.com

H.W. Janson en A.F. Janson, “History of Art” (Sixth edition)

Beoordeling: 4 sterren

History of Art is een complete kunstgeschiedenis van de westerse beschaving. Van de prehistorie tot het einde van de 20e eeuw; van Babylon tot Californië; alles waar het Westen kunst van, over en mee heeft gemaakt zit erin.

Na een paar jaar geleden* de hoofdstukken over de Kretenzische, Griekse en Romeinse kunst gelezen te hebben voor de cursussen Klassieke Archeologie 1 en 2 en in het jaar daarna** de prehistorie en Egypte doorgenomen te hebben, ben ik nu*** weer eens begonnen in dit prachtige boek. Rijk geïllustreerd en voorzien van duidelijke teksten (in het Engels) wordt uitleg gegeven van de kunst en cultuur in een bepaalde periode en binnen een bepaald gebied. Er is zowel aandacht voor het beschrijven van unieke objecten als voor het grote verhaal en ontwikkelingen over honderden jaren.

Het hoofdstuk over het nabije oosten (Irak, Iran) ging mij echter wel heel erg snel. Een periode van drie- tot vierduizend jaar wordt afgedaan in de helft van het aantal bladzijdes dat Egypte of Griekenland krijgt. Jammer, want wat ik gelezen heb maakt nieuwsgierig naar meer.

Janson leest bovendien niet alleen als kunstgeschiedenis maar ook als cultuurgeschiedenis. Aan het begin van het hoofdstuk Romaanse kunst wordt hier door de auteurs op ingegaan. De ‘verantwoording’ die zij hier afleggen over de indeling van het boek tot dusverre en vanaf dat hoofdstuk laat bovendien zien dat zij zich bewust zijn van de overgang van een indeling aan de hand van geografische of chronologische grenzen naar een indeling op basis van stijl. Ook geeft dit boek, sterker dan ik in veel literatuurboeken heb gezien, een verzwakking aan in de grens tussen middeleeuwen en renaissance.

In het hoofdstuk over Gotische kunst is het verschil in verschillende stijlen en geografische gebieden soms lastig te volgen. Veel kunstwerken die door de auteurs bij verschillende stijlen worden ondergebracht, zijn voor een leek moeilijk te onderscheiden. Alleen de bouwkunst is doorgaans goed te karakteriseren ten opzichte van de Romaanse, al zoeken de auteurs af en toe wel de grens op van verschillende stromingen en wordt een kerk met zowel Romaanse als Gotische elementen tot op het bot ontleedt. Dat komt de leesbaarheid voor een niet-kunsthistoricus niet ten goede.

Een kritische kanttekening betreft het gebruik van subjectieve terminologie: sommige kunstwerken worden omschreven met termen die soms zeer subjectief zijn. Dat kan aan het vakgebied liggen, maar het maakt het boek voor mij wel wat minder nauwkeurig dan ik van zo’n boek verwacht. Janson is ondanks dat een aanrader voor iedereen die wel eens kennis wil maken met de geschiedenis van de kunst. Een goede beheersing van het Engels is wel noodzakelijk evenals een woordenboek voor een enkele vakterm, maar het boek leest in dat geval als een trein.

Het hoofdstuk Early Renaissance was boeiend****, vooral doordat we tijdens onze vakantie een rondreis door Italië hebben gemaakt, onder andere naar Florence, Pisa en Rome. Dat maakt de theorie van Janson een stuk levendiger.
Het hoofdstuk over de High Renaissance bevat ook diverse kunstwerken die ik in mijn vakantie heb mogen bewonderen. Bovendien is de indeling van dit hoofdstuk anders dan dat van de voorgaande. Vergelijkbaar met het begin van de Romaanse kunst wordt ook nu de wijziging van de indeling uitgebreid toegelicht. Gekozen is voor het bekijken van de werken van zes kunstenaars die de top van de Renaissance vormen. De hoge Renaissance wordt dus als een samenballing van een aantal talenten gezien en niet als een beweging of stroming. Een keuze die ik (als leek) op basis van de argumentatie in het hoofdstuk goed kan volgen.
Het daaropvolgende hoofdstuk Mannerism and other trends is daarentegen vaag. Sommige voorbeelden zijn duidelijk afwijkend van de renaissancekunst, maar vooral als het om architectuur gaat is mij totaal onduidelijk waarom deze keuzes door de redacteuren zijn gemaakt.
Daarna gaan we naar het noorden van Europa en volgen twee prima hoofdstukken over de ‘Late Gotiek’ en de ‘Renaissance’ in Noordwest Europa.

De Renaissance wordt opgevolgd door de Barok*****, althans dat beweren de auteurs. Vervolgens maken ze in drie hoofdstukken over de Barok in diverse delen van Europa maar slecht duidelijk wat nu de Barok typeert. Het lijkt een willekeurige reeks gebouwen, standbeelden, schilderijen en andere kunstwerken die toevallig in ongeveer dezelfde periode zijn gemaakt door kunstenaars waartussen zich enkele verbanden bevinden. Bovendien maken de auteurs het bij het hoofdstuk over Engeland wel erg bont: ze beweren daar dat de Engelsen wat betreft beeldende en schilderkunst genoegen namen met het navolgen van enkele niet-Barokkunstenaars en dientengevolge niets noemenswaardigs hebben geproduceerd, waarna direct wordt overgestapt op de architectuur. Volgens mij een duidelijke subjectieve keuze, zoals die in de rest van deze drie hoofdstukken minder expliciet ook worden gemaakt. Erg jammer en maar snel door naar de Rococo.

Het hoofdstuk over de Rococo is duidelijker: de voorbeelden maken de lezer veel duidelijker wat deze stijl inhoudt, dan de hoofdstukken over de Barok. Wel is bij dit hoofdstuk (evenals bij de vorige paar) de mening van de schrijvers wel erg nadrukkelijk aanwezig. Men lijkt de kunst van de 18e eeuw het hoogtepunt van alle kunst te vinden en ik zou het beter hebben gevonden wanneer men meer ruimte had gelaten aan de lezer om een voorkeur te vormen.

Dan komen we aan bij ‘mijn’ negentiende eeuw. De eeuw van de romantiek en het realisme. En daar neemt de schematiseerdrift van de auteurs wel hele rare vormen aan. Waar ik bij de barok al twijfels had over de kaders van deze stroming is de benaming neo-barok romantiek voor de populaire Franse schilder Delacroix wel het toppunt. Soms zijn mensen niet in hokjes te vangen of is het zelfs beter om uit te gaan van een langere lijn of traditie. De onderdelen beeldhouwkunst en architectuur zijn in tegenstelling tot de schilderkunst dan weer erg leesbaar en begrijpelijk.

Die leesbaarheid zet zich door in de volgende twee hoofdstukken****** over realisme en impressionisme en over post-impressionisme, symbolisme en art nouveau. Duidelijke voorbeelden, abstraheringen en indelingen die nodig zijn om de complexe historische werkelijkheid te begrijpen, zonder in overdreven geschematiseer te vervallen. Een prima hoofdstuk.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog stoppen de auteurs met hun periodische aanpak, maar wordt alles vanaf 1940 per beeldende kunstvorm besproken. De overwegingen hierbij en uitvoering hiervan zijn prima. Als leek zie ik soms niet in waarom een bepaald schilderij, beeldhouwwerk, gebouw of foto bij een bepaalde richting of stroming wordt ingedeeld, maar ook deze hoofdstukken waren  bijzonder goed.

Het laatste hoofdstuk, Postmodernism, tenslotte is goed, maar maakt voor mij nog niet duidelijk wat postmodernisme is. Historicus van je eigen tijd zijn, blijft volgens mij een onmogelijkheid, maar de voorbeelden waren leuk en de teksten prima te volgen.

Al met al is Janson’s History of Art een mooi boek om de kast te hebben staan en een leerzame ervaring geweest. Over het algemeen is het boek goed tot zeer goed, enkele mindere hoofdstukken daargelaten.

*2003
**2004
***2008
****2009
***** voorjaar 2010
******zomer 2010

Jan van Boendale, Lekenspiegel

Lekenspiegel Beoordeling: 4 sterren

Omdat men in de Middeleeuwen geloofde dat God deze wereld en al wat er op leeft had geschapen, beschouwde men de kosmos en natuur als een spiegel van God. Door het bestuderen van dieren, planten en stenen kon men te weten komen wat Hij met zijn Schepping voor ogen had gehad. Die kennis werd te boek gesteld en overgeleverd in een soort encyclopedische naslagwerken.Rond 1330 stelde de Antwerpenaar Jan van Boendale zijn Lekenspiegel samen op basis van geleerde en dus Latijnse bronnen. Hij schreef in de volkstaal, opdat leken (dat wil zeggen niet-priesters die het Latijn niet machtig waren) kennis konden nemen van hoe de wereld in elkaar zat. In de vier delen poogde hij de heilsgeschiedenis te beschrijven, te beginnen met de schepping en eindigend met visioenen van de Jongste Dag. Regelmatig laat hij de historische rode draad liggen om uit te weiden over ethische en esthetische kwesties, zoals ‘Waarom is het schrift zo belangrijk?’, ‘Aan welke eisen moet een dichter voldoen?’ en ‘Hoe dienen stadsbestuurders zich te gedragen?’*

Deze vertaling van Lekenspiegel uit de Griffioenreeks is een goede prozabewerking van de originele tekst. Wat opvalt als je deze tekst leest, zijn de vele literaire verwijzingen: Boendale noemt diverse bronnen voor zijn kennis. Daarnaast is veel van deze kennis verouderd, maar ook opvallend veel kennis is nog steeds waardevol en onveranderd. Als lezer krijg je een goed beeld van wat met wist, dacht en vond in de 14e eeuw. Het wereldbeeld van de middeleeuwer wordt je op deze manier goed duidelijk. Ook de normen van mensen zijn in die ruim 600 jaar niet veranderd: de etiquetteboekjes van nu sommen nagenoeg dezelfde regels op als de Lekenspiegel van toen.
Voor de literairhistorisch wat ingevoerder lezer is het interessant om te zien dat de vermenging van christendom en kennis uit de klassieke oudheid niet geproblematiseerd is, waar deze dat wel was, na de polemiek over ‘Socrates in de hemel‘ in de 18e eeuw.
Ik raad dit boek echt aan iedereen aan: geoefender lezers en mensen die zonder voorkennis kennis willen maken met de Middeleeuwen.

*Bron: Bol.com

Willem Bilderdijk, De kunst der poëzy

De kunst der poezy Beoordeling: 4 sterren

In de discussie over Bilderdijks dichterschap spitsen de rehabilitatiepogingen zich toe op de vraag in hoeverre Bilderdijk al dan niet te beschouwen is als een volwaardig representant van Europese Romantiek. Bilderdijks meest uitgesproken poëtisch manifest, de kunst der poëzy, is in dit debat een vaak geciteerde tekst. Van dit belangwekkende gedicht verschijnt nu, na honderd jaar, weer een complete, geannoteerde editie. Hieraan vooraf gaat een uitvoerige inleiding, waarin de bezorgers hun eigen positie in het debat bepalen.*

De kunst der poëzy is een zeer mooi geschreven poëtica, waarin Bilderdijk met prachtige beeldspraken en rijkelijk strooiend met stijlfiguren zijn visie op de poëzie uiteen zet. Zijn gedicht is niet heel toegankelijk, maar de geannoteerde uitgave uit de reeks Nederlandse Klassieken maakt het lange gedicht toch nog steeds zeer leesbaar. Een mooie tekst om gelezen te hebben voor ik aan de gedichten van Bilderdijk ga beginnen.

*Bron: Bol.com

Jan van der Meer, Enkeltje Nijmegen

Beoordeling: 2 sterren

Enkeltje Nijmegen is het openhartige dagboek van een roze-groen raadslid. Jan van der meer geeft een inkijkje in het politieke bedrijf vanuit een zeer persoonlijk perspectief. Politiek en het volle leven – drank, seks, intriges en ambitie: het zijn de ideale bouwstenen voor een klassieke tragedie. Gelukkig heeft Jan van der Meer naast humor en relativeringsvermogen ook de moed zichzelf niet te ontzien. Dat maakt dit dagboek tot een authentiek document, tot meer dan een lokaal-politieke aangelegenheid ent tot een vermakelijke zedenschets.*

De flaptekst van het dagboek van Jan van der Meer doet veel vermoeden, maar Enkeltje Nijmegen is helaas niet meer dan een lokaal-politieke aangelegenheid. Voor een ex-fractievolger uit Nijmegen is het leuk te lezen wat er in 2000 gebeurde: het biedt inzicht in de verhoudingen in 2010. Voor een raadslid is Jan van der Meer een leuke schrijver, maar hij is geen literator. Het is een grappig boekje, maar voor de doorsnee lezer niet interessant genoeg helaas.

*Bron: flaptekst Enkeltje Nijmegen

Rint Sybesma, Het Chinees en het Nederlands zijn eigenlijk hetzelfde

Het Chinees en het Nederlands zijn eigenlijk hetzelfde Beoordeling: 1 ster

Op het eerste gezicht hebben het Chinees en het Nederlands nauwelijks iets met elkaar gemeen. Zo heeft het Chinees – afgezien van de sterk verschillende klanken – geen meervoud, geen tegenwoordige en verleden tijd en geen lidwoorden (de, het).Bij nadere beschouwing blijken de talen echter allerlei overeenkomsten te hebben. Het Chinees is een toontaal. Het Limburgs is dat ook. De Chinezen zeggen blij-blij. Wij zeggen druk-druk-druk. In het Chinees zet je achter iedere zin een klein woordje om de zin wat bij te kleuren. In het Nederlands doen we dat ook hoor!Dit boek biedt inzicht in de verrassende overeenkomsten tussen twee talen die ogenschijnlijk hemelsbreed van elkaar verschillen.*

Toen ik Het Chinees en het Nederlands zijn eigenlijk hetzelfde van Sinterklaas kreeg, was ik best enthousiast: een grappig boekje, waarvan ik een opvallende invalshoek op het Nederlands verwachtte en waarin ik met plezier begon te lezen. De enige vragen die mij na (gedeeltelijke) lezing nog resten, zijn: waarom heeft Sybesma zich de moeite getroost dit boekje te schrijven? Wat moet ik ermee? Wat moet de mensheid met dit boekje? Wat is het nut? Wat is de lol? Waarom? Waaróm? WAAROM?

Dit boekje kenmerkt zich door nutteloosheid, de samenvatting van dit boekje kan in 15 bulletpoints geschieden (één per hoofdstuk), de toon is af en toe zo kleuterlijk dat je je kapot ergert als door het onderwijssysteem geworstelde lezer en van de opvallende invalshoek op het Nederlands is weinig over. Ik wens Sybesma veel succes met de verkoop van zijn boekje, want ik hoop dat niemand na lezing van deze recensie het nog in zijn hoofd haalt dit ding te kopen.

*Bron: flaptekst

Tom Lanoye, Maten en gewichten

Maten en gewichten Beoordeling:4 sterren

In deze bundel columns uit Humo van Lanoye uit de periode 1992-1994 bespreekt Lanoye met name de Antwerpse politiek. Daarnaast staat in de bundel ook zijn lezing Janus in Sarajevo.

Het is als niet-Vlaming even wennen als je aan deze bundel begint. Je mist de sociaal-culturele context waarin deze teksten zijn geschreven en vooral de vele namen van politieke figuren roepen geen beeld op. Wel leer je de mensen, doordat ze in meerdere columns terugkeren, langzaam beter kennen. De bundel moet je echter vooral lezen voor de lezing Janus in Sarajevo en de reeks Kaap de goede hoop. Lanoyes stijl is onovertroffen en hij is naast een zeer getallenteerd fictieschrijver, ook een zeer getallenteerd columnist/polemist. Bovendien geeft lezing van de columns na meer dan 15 jaar soms een destijds niet bedoeld humoristisch effect. Jean Marie Pfaffs plaatsing in een rijtje met onder andere Ghandi wordt na de real-life soap nog grappiger en de onmogelijkheid van een zwarte president van de Verenigde Staten leest na 2009 ook anders dan voorheen. Zeker een aanrader, maar wel voor de stilistisch ingestelde lezer.

PPC D66, Vertrouw op de eigen kracht van mensen

Beoordeling: 4 sterren

De permanente programmacommissie van D66 heeft in het afgelopen jaar gewerkt aan het essay Vertrouw op de eigen kracht van mensen, sociaal-liberale grensverkenningen. Dit 52 pagina’s tellende boekje verwoordt het basale mens- en maatschappijbeeld van de sociaal-liberaal en alle grenzen, vragen en kanttekeningen die daar bij te maken zijn.

Het boekje is een interessante zoektocht naar een gezamenlijke grond. En zoals in de epiloog gezegd moet dit boek niet leiden tot eindeloos gebakkelei binnen de gelederen over die punt of komma in de tekst die anders had gemoeten. Het moet een basis zijn voor het politiek handelen, een visie achter het oplossen van concrete maatschappelijke problemen. In dit doel is het boekje in elk geval goed geslaagd.
Wel heb ik twee kanttekeningen: ten eerste is het boekje erg wetenschappelijk/elitair van taalgebruik. De gemiddelde Nederlander kan niets met deze tekst en dat lijkt mij een gemiste kans. Daarnaast vind ik de balans in het boekje tussen wat ouders aan opvoeding moeten doen en wat er van het onderwijs wordt verwacht te ver doorslaan naar het onderwijs. Van de mogelijkheden van het onderwijs moeten geen wonderen worden verwacht.

Kortom: een mooi uitgangspunt voor discussie binnen en buiten D66 over de mens en maatschappij, een goed handvat voor praktisch politiek handelen in elitair geschreven Nederlands.

M. van der Land, Tussen ideaal en illusie

Tussen ideaal en illusie Beoordeling: 3 sterren

Op 14 oktober 1966 wordt in Amsterdam de Politieke Partij Democraten ’66 opgericht. In de loop der jaren ontwikkelt de partij zich van een radicaal-democratische vernieuwingsbeweging tot een gevestigde politieke partij. De geschiedenis van D66 kent sterk wisselende successen, maar bijna 37 jaar na haar oprichting laat het vaak voorspelde verdwijnen van de partij nog steeds op zich wachten. Maar hoe is D66 gedurende haar bestaan omgegaan met haar oorspronkelijke doelstellingen: radicale democratisering van politiek en samenleving, het doorbreken van de partijpolitieke verhoudingen en pragmatische, niet-ideologische politiek?
In dit eerste boek over de roemrijke geschiedenis van D66 komen alle hoogte- en dieptepunten van bijna 37 jaar van de partij aan de orde: het Initiatiefcomité, het Appèl en de glorieuze entree in de Nederlandse politiek, de kabinetsdeelnames in de jaren zeventig en tachtig, de historische verkiezingsoverwinning in 1994 en de vorming van het paarse kabinet. Maar ook de crisis in 1974, toen de partij op sterven na dood was, het verlies na de deelname aan de kabinetten-Van Agt II en III , het (tweevoudig) vertrek van partijleider Van Mierlo en de verkiezingsnederlaag van 2002 passeren de revue.*

Het proefschrift van Van der Land is zeer leesbaar en geeft een mooi beeld van D66. Bovendien levert het voor iemand die van na 1966 is een interessante inkijk in de historie van de partij.

De hoofdstukken twee t/m zeven beschrijven de geschiedenis van D66 in chronologische volgorde. Doorgaans weet Van der Land in stijl en inhoud een goede mix te maken van het overbrengen van de sfeer in de partij en het politieke landschap en wetenschappelijke distantie. Een wat minder hoofdstuk vormt hoofdstuk drie. Hierin worden veel parallelle gebeurtenissen beschreven die deels ook uit elkaar voortvloeien en deze worden pas door de samenvatting in de laatste paragraaf in een duidelijk kader geplaatst.
In het vierde hoofdstuk, op bladzijde 223 komt vervolgens een onvergeeflijke fout voor in het boek. Zonder enige voetnoot, onderbouwing of argumentatie schrijft Van der Land: ” […] en het duidelijk maken dat D’66 het beste van het liberalisme en het beste va de sociaal-democratie in zich verenigt.” Een zeer subjectieve opmerking die niets te maken heeft met de inhoud van het hoofdstuk en die mijns inziens in een proefschrift absoluut niet kan, zonder daar een opmerking bij of over te maken.
Wat de chronologische beschrijving van de geschiedenis met zich meebrengt is dat je als lezer meer en meer behoefte krijgt aan het trekken van conclusies, het leggen van verbanden, een hypothese, overtuiging van het gelijk van de historicus. Omdat Van der Land in de inleiding geen stelling(en) heeft geponeerd, is het erg wachten op het moment waarop hij wat gaat doen met de beschreven geschiedenis en dat is erg jammer. Het boek laat tijdens het lezen daardoor een wat ‘Reader’s Digest-achtige vluchtigheid indruk achter. Deze wordt in het achtste hoofdstuk wel degelijk goed gemaakt met enkele goede bespiegelingen en duidelijke conclusies, maar het zwaartepunt ligt wat mij betreft wat te veel bij het beschrijvende en wat te weinig op het laten zien van wat dat betekent**.
De beschouwing in het laatste hoofdstuk is een leuke toevoeging waarin we het meest van de schrijver te zien krijgen en hij op een veel ontspannener manier schrijft dan in de voorgaande vierhonderd bladzijden.

Erg storend zijn de vele taalfoutjes die over het hele boek verspreid voorkomen. Vaak zijn deze ontstaan bij wijzigingen in de formulering, maar ook doodeenvoudige typfouten die elke spellingchecker herkent, komen veelvuldig voor. Een van de opvallendste voorbeelden: een foto met vijf oud-fractievoorzitters van D66 met daaronder “vier fractievoorzitters”.

Een leuk boek, een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in D66 en zeker voor iedereen die binnen het partijkader van D66 actief is. Maar dit boek vormt voor mij geen sluitsteen in onderzoek rond D66, maar pas het begin.

* Bron: Bol.com
**Dit is precies de reden dat voor mij een wetenschappelijke carrière niet in het verschiet ligt en mijn masterscriptie niet leidde tot cu