Frits van Oostrom, Wereld in woorden

Wereld in woordenBeoordeling: 5 sterren

Nadat ik drie jaar geleden Stemmen op schrift van Frits van Oostrom besprak, is dit jaar het daaropvolgende deel  Wereld in woorden verschenen. En ik kan veel van wat ik over het vorige deel schreef herhalen: het boek kent een zeer brede opzet, van politiek en cultuur tot specifieke teksten en schrijvers. Het is zeer leesbaar geschreven, met Stemmen op schrift de leesbaarste van alle delen tot nu toe (hoewel voor een hoger opgeleid publiek). En wat ook in dit deel stoort is het overdreven nationalisme en bijkomend Van Oostroms Maerlant-voorliefde.

Van dat laatste diverse voorbeelden door het boek heen: “zoals geen enkele andere Europese vertaler hem heeft nagedaan” (blz. 354), de naam van prinses Beatrix die afgeleid zou zijn van het verhaal van Beatrijs (vergelijk dit met de betwiste Zeeuwse Marlaent in Maerlants wereld) en continue Maerlant-vergelijkingen tussen haakjes op irrelevante plaatsen zoals “Alleen Maerlants encyclopedische werk, en in bijzonder zijn Spiegel Historiael, steekt daar overtuigend bovenuit – maar die laatste had dan ook meer dan een eeuw lang het rijk alleen als Nederlandstalige wereldencyclopedie” op blz. 492. Ook is dit te horen in Van Oostroms manier van spreken bij Pauw en Witteman bij het verschijnen van zijn boek:

Daarnaast vallen nog een paar dingen op aan dit deel. Ik ben de eerste overduidelijke zetfout tegengekomen in de inmiddels vijf door mij gelezen delen (blz. 201 privatie in plaats van private). Verder kent dit boek meer bladzijdes die gewijd zijn aan enkele grote namen of teksten ten opzichte van het vorige deel. Logisch wellicht, omdat de individuele schrijver opkomt in de veertiende eeuw, maar wel opvallend anders.

Bovendien is dit deel samen met het vorige zeer uitgebreid: het beslaat 200 jaar (meer dan Het gevleugde woord van Herman Pleij), maar wordt nergens saai, traag of vervelend. Er staat wat er moet staan, in tegenstelling tot Een nieuw vaderland voor de muzen van Porteman en Smits-Veldt dat 140 jaar beslaat, 210 pagina’s minder dik is, maar leest alsof het 420 pagina’s meer bevat.

Het opvallendste niet-wetenschappelijke in het boek vond ik de vergelijking die Van Oostrom probeert te maken tussen de Moderne Devotie en de Nederlandse volksaard. Zoals hij het beschrijft, zie ik de parallellen ook, maar om nu te zeggen dat de Moderne Devotie daarom dus zo typisch Nederlands is. Ik weet niet zo goed wat ik daarvan denken moet.

Zoals ik bij mijn eerste recensie over deze literatuurgeschiedenis begon, sluit ik ook nu weer af met nog enkele losse opmerkingen per hoofdstuk.
De inleiding, Profiel van een eeuw, begint met Jan van Mandeville, een interessante man en mooie opener richting de rest van het boek. Van Oostrom laat bovendien zien in deze inleiding dat ook hij de kunst verstaat een wereld te scheppen in woorden. Het decor wordt geschetst voor de spelers die nog zullen opkomen. Bovendien worden hier de negen besten uitgelegd, iets wat bij Porteman en Smits-Veldt duidelijk ontbrak!
Het is vervolgens mooi te zien dat Van Oostrom in De wereld begint met het non-fictiewerk. Waar de literatuur tegenwoordig toch vaak verengt is tot poëzie en proza, is dat in het onderzoek naar de middeleeuwen alles behalve het geval. Wel wordt hier soms iets te overdreven een relatie gelegd met de huidige tijd (op het anachronistische af).
Het religieuze hoofdstuk Het heil leunt mijns inziens wat te sterk op de drie grote schrijvers die hier te berde worden gebracht. De Bijbelvertaler van 1360 wordt wel erg lang op doorgegaan en door zwaar op deze vertaler en vervolgens Ruusbroec in te zetten, wordt dit hoofdstuk wat zwaar. De schrik die neerlandici om het hart sloeg bij De Nederlandse literatuur: een geschiedenis uit 1993 hoeven deze mensen niet opnieuw te beleven: de Beatrijs staat erin!
Het hoof dstuk De verbeelding is een prima en weinig verrassend hoofdstuk, waar het laatste hoofdstuk Drie milieus dat juist wel is: de opzet is interessant en het geeft een zeer rijk beeld van wat zich op één plek allemaal tegelijkertijd afspeelde. Bovendien vond ik de informatie over de Moderne Devotie interessant, omdat ik niet alleen een bijzondere band met Deventer heb, ook kan ik mij dit vaag herinneren van mijn eerste studiejaar, dus vormde dit hoofdstuk een mooie opfrisser.

Ik heb mij zeer vermaakt met dit deel en ben erg benieuwd naar wat ik volgende zomer kan lezen. Verschijnt Ritselende revolutie dat dit jaar wordt verwacht over de Verlichting? Of ga ik naar ‘mijn’ negentiende eeuw met Alles is taal geworden?

Niccoló Machiavelli, Il principe (De heerser)

Beoordeling: 4 sterren

Il principe (De heerser) is een interessant boek en de uitgave in de Perpetua-reeks van Athenaeum, Polak en Van Gennep is een heel toegankelijke. Dat toegankelijke zit hem in eerste instantie in de tekst zelf. Machiavelli schrijft op een heel moderne wijze: weinig opsmuk, korte zinnen, helder en inhoudelijk.

En dat in een tijd dat er ook anders werd geschreven. Je kunt het vergelijken met Bordewijk in de tijd van Slauerhoff: Bordewijk de beknopte, toegankelijke, naast de barokke Slauerhoff. In de 16e eeuw heb je de beknopte, toegankelijke Machiavelli naast de meer barokke (klassieke) Erasmus met o.a. zijn Lof der zotheid.

Il principe leest als een literair managementboek voor de 16e-eeuwse leidinggevende. Wat dat betreft staat dit boek in een langere traditie van instructieboeken voor leiders, die heden ten dage uitgekomen zijn bij prachtwerken als Socratisch coachen voor leidinggevende en hrm.

Maar waar de moderne boeken vaak oude wijn in nieuwe zakken verkopen, weet Machiavelli voor die tijd, met compleet nieuwe wijn aan te komen. Dat zie je echter pas wanneer je de erg goede inleiding van Frans van Dooren bij de tekst hebt gelezen. Vertaling en inleiding zorgen samen voor een zeer interessant boek voor de liefhebber.

Boris van der Ham (@borisham), De vrije moraal

De vrije moraalBeoordeling: 4 sterren

Het boek De vrije moraal dat ex-Tweede Kamerlid Boris van der Ham schreef is een erg leuk boekje: de historische schets van Van der Ham is mooi en geeft veel waardevolle achtergronden bij de wereldvisie van D66 en aanverwante vrijdenkende partijen.

Ook het essay dat in het tweede deel van het boekje volgt is een mooi ideaal om voor te strijden, het laat je nadenken en dat de passie van Van der Ham voor de vrije moraal laat zien.

Enige kritiekpuntje op het boek is de soms erg uitgebreide uitleg. Voor wie politiek geïnteresseerd is of voor wie bij geschiedenis op de middelbare school goed heeft opgelet, kan dat soms storend zijn.

De vrije moraal is een ideaal sinterklaas- of kerstcadeau, dus koop het boek via Bol.com!

K. Porteman en M. Smits-Veldt, Een nieuw vaderland voor de muzen

Een nieuw vaderland voor de muzenBeoordeling: 3 sterren

Dit is het vierde deel uit de negendelige (vier delen moeten nog verschijnen in 2013) Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. De afgelopen jaren lees ik elke zomer een deel. Over dit deel ben ik helaas een stuk minder enthousiast dan over de vorige. Het is nog niet zo erg dat ik maar één of twee sterren wil geven, want ik heb er opnieuw veel van geleerd.

Mijn kritiek richt zich vooral op de vorm: de schrijfwijze en stijl van dit deel. Waar Frits van Oostrom zich een bevlogen middelbare schoolleraar betoond, Herman Pleij de erudiete professor is die we kennen uit de media en Hugo Brems is in zijn deel een visionair met een duidelijke structuur voor zijn deel. Porteman en Smits-Veldt komen niet verder dan de titel ‘samensteller’ of nog negatiever gesteld: ‘opsommers’.

De chronologische opzet van Een nieuw vaderland voor de muzen werkt lang niet altijd even goed en langere lijnen in de  beschreven periode (1560-1700) gaan verloren in de verschillende hoofdstukken. Bovendien wordt er zowel veel parate voorkennis verondersteld van politiek en geschiedenis, als het bijhouden van informatie uit voorgaande hoofdstukken die eveneens als bekend wordt verondersteld. Het boek is veel meer gericht op de vakman dan op de gewone geïnteresseerde lezer en dat was wel het doel van de reeks!

Wat het lezen verder vervelend maakt zijn de opsommingen die regelmatig volgen bij bepaalde schrijvers: welke titels wanneer zijn uitgekomen en dat soms gedurende anderhalve pagina. Bovendien raak je door dit soort details de rode draad van het verhaal soms kwijt: geen mens leest een pil van ruim 880 pagina’s in één keer.

Een laatste algemeen kritiekpunt is de aandacht die vooral uitgaat naar enkele thema’s: de elite, de toppers in de literatuur, religie en educatieve literatuur. Is er niets meer? Is er geen volkskunst? Hoe werkte toneel in de praktijk? En in kleinere theaters? Op straat? Wie zong al die gedrukte liederen? Dat ontbreekt in dit erg dikke boek. Langer is niet altijd beter, details zijn niet altijd verhelderend, selecteren is een kunst.

Tot slot nog enkele opmerkingen bij de verschillende hoofdstukken:

Het eerste hoofdstuk overlapt voor een deel met het vorige deel van Herman Pleij. Je moet er wel even inkomen: zowel qua taalgebruik als inhoudelijk: het noordelijke deel is daarin beter dan het zuidelijke. Het tweede hoofdstuk biedt wat veel aandacht voor individuen, wat zich meer leent voor dieptestudie dan voor een algemene literatuurgeschiedenis. Dit hoofdstuk is wel een van de leesbaarste.

Het vierde hoofdstuk biedt een mooie context aan bij de grote schrijvers als Hooft en Bredero. Zowel bij deze schrijvers als bij de kleinere thema’s in het daaropvolgende hoofdstuk wordt er wel erg diep op zaken ingezoomd. Dat leest in dit geval niet plezierig.

Het laatste (zesde) hoofdstuk is het leesbaarste uit het boek: het lijkt wel door een andere schrijver geschreven. Het mooiste woord in dit hoofdstuk is ‘saucijzenstructuur’ ( het aaneenrijgen van losse verhalen via bijvoorbeeld één centrale hoofdpersoon). Van het nawoord vraag ik me af waarom dit is toegevoegd. De informatie is leuk, maar wat draagt het bij aan het geheel van Een nieuw vaderland voor de muzen?

Herman Pleij, Het gevleugelde woord

Het gevleugelde woordBeoordeling: 4 sterren

Het gevleugelde woord beschrijft de Nederlandse literatuur in der periode 1400-1560. Deze werd in deze periode volwassen. Literatuur werd gedrukt in grotere oplagen en werd een product voor de vrije markt. De literaire tekst als afzonderlijke (kunst)vorm was geboren.

Waar ik Van Oostroms Stemmen op schrift,  fantastisch vond en Brems Altijd weer vogels die nesten begonnen, vind ik dit tweede deel goed, maar niet op alle punten. De individuele hoofdstukken en onderwerpen zijn interessant, verhelderend en verdiepen en verbreden veel van de kennis die ik in mijn studie al had opgedaan. Wat dit boek vooral bereikt heeft is dat mijn beeld van de overgang van vroege via late middeleeuwen naar beginnende Renaissance in mijn beeld sterk genuanceerd en verfijnd is. Ook heb ik een veel beter beeld gekregen van de werking van literatuur in de opkomende steden en heeft de overgang van een orale en handschriftcultuur naar de periode van de boekdrukkunst een veel minder abrupt karakter gekregen. Kortom: veel waardevolle kennis en inzichten.

Wat mij tijdens het lezen stoorde en zelfs steeds meer is gaan storen zijn twee dingen. Ten eerste gaat Pleij uit van een behoorlijke portie voorkennis, vooral wat betreft teksten en hun inhoud. Een goed voorbeeld hiervan (maar er zijn er meer te geven) zijn “de negen besten”. Deze negen helden worden verschillende keren aangehaald door het boek, maar pas op pagina 598(!) wordt uitgelegd wie deze helden waren. En dan heb ik met dit begrip nog geluk: er zijn genoeg teksten en begrippen die geen nadere uitleg krijgen.

Het tweede punt waar ik mij aan heb gestoord is het lijken te ontbreken van enige vorm van eindredactie. Er zitten diverse herhalingen in en de momenten waarop zaken wel en niet nader worden toegelicht lijken volledig willekeurig. Het lijkt er bijna op dat niemand voor publicatie het hele boek van A tot Z gelezen heeft om te zien of alle hoofdstukken wel logisch op elkaar volgen. Daardoor heeft het boek soms bijna iets van een raamvertelling door verschillende auteurs.

Deze twee zaken, gecombineerd met het complexe taalgebruik van Pleij met redelijk wat jargon maakt het boek zeker niet voor een groot publiek, waar Van Oostroms deel dat veel meer was. Pleij is dan ook meer een hoogleraar, waar ik Van Oostrom al omschreef als geschiedenisdocent.

Dan nog enkele opmerkingen per hoofdstuk: de eerste twee hoofdstukken zijn soms lastig te volgen door de vele tijdsprongen. Wel bieden de eerste hoofdstukken goede kaders voor verdere lezing en leiden ze langzaam naar de meer concrete onderwerpen en teksten.

De hoofdstukken vijf en zes over mystiek, devotie en allegorie blijven door het onderwerp erg lastig te volgen. Pleij had wat meer kunnen doen om het onderwerp nog inzichtelijker te maken, maar het zijn prima hoofdstukken.

De hoofdstukken vier, zeven en tien over toneel brachten mij tot de verzuchting dat het jammer is dat het gebied van de literatuur van na 1600 zo verengd is tot enkel poëzie en proza. Toneel is volledig afgescheiden (evenals liederen en ander tekstmateriaal dat is) en je kunt je afvragen of we ons niet hebben overgespecialiseerd. Deze vraag is door Pleij echter beantwoord in het laatste hoofdstuk. Ik kom daar zo op terug.

De hoofdstukken twaalf, dertien en veertien over de boekdrukkunst vond ik de leukste en interessantste van het boek. Pleij maakt eenvoudig en duidelijk zichtbaar hoe de boekdrukkunst zich heeft ontwikkeld en welke invloed dat had op de literaire wereld van rond 1500. Wellicht de best geschreven hoofdstukken van het boek.

Het slechtste hoofdstuk daarentegen was het 17e hoofdstuk. Het hoofdstuk is onsamenhangend: het biedt een potpourri aan onderwerpen zonder dat de titel van het hoofdstuk de lading dekt. Op zich geen oninteressante materie, maar het lijkt wel of alles wat bij de ontwikkeling van het boek in het bakje ‘overige’ terecht is gekomen in dit hoofdstuk is gestopt.

Het slothoofdstuk, ‘Het gevleugelde woord’, beantwoord veel kritische vragen die bij het lezen bij mij opkwamen. Onder andere de scheiding tussen cultuur-, theater- en literatuurwetenschap die de periodes na 1600 behandelen komt hier aan de orde. Goed onderbouwd balt Pleij alles wat hij in de voorgaande 700 pagina’s heeft beschreven samen. Een mooi slot aan dit erg interessante boek, zij het met wat rafelrandjes.

Ken Blanchard en Spencer Johnson, De One Minute Manager

Beoordeling: 4 sterren

De One Minute Manager van Ken Blanchard is een businessklassieker, die al vele jaren gelezen en gebruikt wordt in allerlei organisaties. In dit boek geeft Ken Blanchard drie eenvoudige en effectieve managementtechnieken die in een verhalende vorm verteld worden.

Ik was (en ben) niet van plan om ieder studieboek dat ik van NCOI krijg aangereikt hier op mijn website te gaan bespreken, maar De One Minute Manager is door zijn verhalende vorm wel een bijzondere. Het boekje geeft een aantal handige managementtechnieken en het leest ook nog eens erg prettig. Diverse zaken die velen in hun leven al eens eerder hebben gehoord of gelezen staan kort en krachtig verwoord.
Wat wel opvalt bij dit boek (maar eigenlijk bij elk managementboek) is dat het vooral gaat om de omgang met andere mensen. Veel van de managementtechnieken, zo ook die van De One Minute Manager, zijn eenvoudig toepasbaar op het onderwijs, de werkvloer in een niet-managementomgeving, de opvoeding en zelfs op je privéleven. Dat is wat mij dan ook stoort in veel managementboeken: er wordt heel gewichtig gedaan over allerlei modellen, werkwijzen en competenties, terwijl management of leidinggeven vooral te maken heeft met je talent (en de ontwikkeling daarvan) om met mensen om te gaan. Daarvoor is dit boekje in elk geval een compacte, goed leesbare en praktische wegwijzer.

Willem de Clercq, Woelige weken

Beoordeling: 1 ster

Een aaneengesloten, bijzonder belangwekkende periode uit het dagboek van Willem de Clercq (1795-1844): het slot van de Franse tijd en de terugkeer van de Oranjes in 1813, heet van de naald.*

Van sommige boeken vraag je je toch echt af waarom ze worden uitgegeven. De Griffioen-reeks bevat juweeltjes, maar ook boeken in de categorie ‘waarom?’ De teksten zijn voor een historicus interessant en dergelijke ego-documenten kunnen in onderzoek naar en begrip van een periode zeer nuttig zijn, maar leuk om te lezen… nou nee. Niet in beginnen.

*Bron: voorzijde Woelige weken

Jacob Cats, Huwelijk

Huwelijk Beoordeling:4 sterren

Een nieuw jaar en direct een nieuwe recensie. Deze keer van Huwelijk van Jacob Cats. Hoewel de inhoud van het boekje en de gedateerdheid ervan het lezen soms wat saai maken, is dit toch wel een erg boeiend en goed geschreven boek. Niet alleen verschaft het de huidige lezer inzicht in de manier waarop in de 17e eeuw tegen het huwelijk aan werd gekeken, maar ook laat het de basis van onze huidige visie zien op het huwelijk, de rol van man en vrouw en de manier waarop een niet-getrouwde vrouw zich hoort te gedragen. Daarnaast is Cats een begiftigd schrijver: de diverse literaire vormen die in het boek voorkomen en de manier waarop hij zijn boodschap verwoord, aangepast aan het beoogde publiek, laten zien dat hij de taal meester was. Een mooi boekje, zeker in de Griffioenversie die ik heb gelezen.

Frits van Oostrom, Stemmen op schrift

Stemmen op schrift Beoordeling: 5 sterren

Stemmen op schrift vertelt in een breed cultuurhistorisch verhaal hoe de Nederlandse literatuur in enkele eeuwen van niet-bestaand volwassen werd. Natuurlijk komen de klassiekers van de Middelnederlandse literatuur uitgebreid aan bod,maar ook obscure teksten die tot nu toe alleen bij de specialisten bekend waren.*

Dit in meerdere opzichten eerste deel van de nieuwste Nederlandse literatuurgeschiedenis is een fantastisch mooi boek, niet alleen om in de kast te hebben staan, maar ook om te lezen. In het boek zijn de laatste onderzoeken opgenomen op het gebied van de Middelnederlandse literatuur en het boek kent een zeer brede opzet: cultuur, literatuur en een ruim gebied rondom het Nederlandse taalgebied komen aan bod.

Daarnaast is het boek zeer leesbaar geschreven: het leest alsof een fantastische geschiedenisdocent een uur lang zo prachtig vertelt dat een hele schoolklas er ademloos naar zou willen luisteren. Toch is het boek niet bedoeld voor ‘de massa’ in de breedste zin van het woord. Een zekere interesse en ‘hbo of wo werk- en denkniveau’ zijn wel een vereiste om dit boek te kunnen begrijpen en waarderen.

Wat stoort in het boek is het overdreven nationalisme dat van de bladzijdes druipt. Weet ik hoe vaak (ik heb niet de moeite willen nemen om te tellen) zijn wij de eerste in Europa, de enige in Europa, uniek of bijzonder. Jammer, want dat gaat opvallen en storen.

Tot slot nog enkele opmerkingen bij de verschillende hoofdstukken. Bij Wereld in losse woorden vond ik het vooral erg leuk om uitgebreid kennis te maken met het Oudnederlands. In mijn studie Nederlandse taal en cultuur werd hier vrij snel overheen gestapt en ik zie nu hoeveel ik daaraan gemist heb. In Veldekes Umwelt is van Oostrom soms wat te specialistisch en wijdt hij soms net wat te lang over bepaalde details uit (relatief ten opzichte van de rest van zijn tekst uiteraard). Het grote verhaal daaropvolgend is goed in balans en bevat vooral hele goede voorbeelden. Ook de conclusie van dat hoofdstuk is erg goed. De mystiek, besproken in het hoofdstuk Missie en mystiek, is niet mijn genre. Ik vond dit hoofdstuk ook wat langdradig, maar een causaal verband tussen deze twee feiten sluit ik beslist niet uit! In het laatste hoofdstuk ten slotte (Willem en Jacob) wordt je als lezer al snel moe van Van Oostroms Maerlantverering, met als absurd hoogtepunt dat Van Oostrom het doodnormaal zou vinden als de universiteit van Oxford aan Jacob van Maerlant postuum een eredoctoraat zou toekennen. Schrijf dan gewoon dat je een poster van hem boven je bed hebt hangen en een knipselmap hebt aangelegd, dan weten we ook dat je Van Maerlant een toffe peer vindt…

Al met al een geweldig boek om te lezen en de vijf sterren zijn, ondanks wat ergernissen hier en daar, zeker dik verdiend.

*Bron: Bol.com

H.W. Janson en A.F. Janson, “History of Art” (Sixth edition)

Beoordeling: 4 sterren

History of Art is een complete kunstgeschiedenis van de westerse beschaving. Van de prehistorie tot het einde van de 20e eeuw; van Babylon tot Californië; alles waar het Westen kunst van, over en mee heeft gemaakt zit erin.

Na een paar jaar geleden* de hoofdstukken over de Kretenzische, Griekse en Romeinse kunst gelezen te hebben voor de cursussen Klassieke Archeologie 1 en 2 en in het jaar daarna** de prehistorie en Egypte doorgenomen te hebben, ben ik nu*** weer eens begonnen in dit prachtige boek. Rijk geïllustreerd en voorzien van duidelijke teksten (in het Engels) wordt uitleg gegeven van de kunst en cultuur in een bepaalde periode en binnen een bepaald gebied. Er is zowel aandacht voor het beschrijven van unieke objecten als voor het grote verhaal en ontwikkelingen over honderden jaren.

Het hoofdstuk over het nabije oosten (Irak, Iran) ging mij echter wel heel erg snel. Een periode van drie- tot vierduizend jaar wordt afgedaan in de helft van het aantal bladzijdes dat Egypte of Griekenland krijgt. Jammer, want wat ik gelezen heb maakt nieuwsgierig naar meer.

Janson leest bovendien niet alleen als kunstgeschiedenis maar ook als cultuurgeschiedenis. Aan het begin van het hoofdstuk Romaanse kunst wordt hier door de auteurs op ingegaan. De ‘verantwoording’ die zij hier afleggen over de indeling van het boek tot dusverre en vanaf dat hoofdstuk laat bovendien zien dat zij zich bewust zijn van de overgang van een indeling aan de hand van geografische of chronologische grenzen naar een indeling op basis van stijl. Ook geeft dit boek, sterker dan ik in veel literatuurboeken heb gezien, een verzwakking aan in de grens tussen middeleeuwen en renaissance.

In het hoofdstuk over Gotische kunst is het verschil in verschillende stijlen en geografische gebieden soms lastig te volgen. Veel kunstwerken die door de auteurs bij verschillende stijlen worden ondergebracht, zijn voor een leek moeilijk te onderscheiden. Alleen de bouwkunst is doorgaans goed te karakteriseren ten opzichte van de Romaanse, al zoeken de auteurs af en toe wel de grens op van verschillende stromingen en wordt een kerk met zowel Romaanse als Gotische elementen tot op het bot ontleedt. Dat komt de leesbaarheid voor een niet-kunsthistoricus niet ten goede.

Een kritische kanttekening betreft het gebruik van subjectieve terminologie: sommige kunstwerken worden omschreven met termen die soms zeer subjectief zijn. Dat kan aan het vakgebied liggen, maar het maakt het boek voor mij wel wat minder nauwkeurig dan ik van zo’n boek verwacht. Janson is ondanks dat een aanrader voor iedereen die wel eens kennis wil maken met de geschiedenis van de kunst. Een goede beheersing van het Engels is wel noodzakelijk evenals een woordenboek voor een enkele vakterm, maar het boek leest in dat geval als een trein.

Het hoofdstuk Early Renaissance was boeiend****, vooral doordat we tijdens onze vakantie een rondreis door Italië hebben gemaakt, onder andere naar Florence, Pisa en Rome. Dat maakt de theorie van Janson een stuk levendiger.
Het hoofdstuk over de High Renaissance bevat ook diverse kunstwerken die ik in mijn vakantie heb mogen bewonderen. Bovendien is de indeling van dit hoofdstuk anders dan dat van de voorgaande. Vergelijkbaar met het begin van de Romaanse kunst wordt ook nu de wijziging van de indeling uitgebreid toegelicht. Gekozen is voor het bekijken van de werken van zes kunstenaars die de top van de Renaissance vormen. De hoge Renaissance wordt dus als een samenballing van een aantal talenten gezien en niet als een beweging of stroming. Een keuze die ik (als leek) op basis van de argumentatie in het hoofdstuk goed kan volgen.
Het daaropvolgende hoofdstuk Mannerism and other trends is daarentegen vaag. Sommige voorbeelden zijn duidelijk afwijkend van de renaissancekunst, maar vooral als het om architectuur gaat is mij totaal onduidelijk waarom deze keuzes door de redacteuren zijn gemaakt.
Daarna gaan we naar het noorden van Europa en volgen twee prima hoofdstukken over de ‘Late Gotiek’ en de ‘Renaissance’ in Noordwest Europa.

De Renaissance wordt opgevolgd door de Barok*****, althans dat beweren de auteurs. Vervolgens maken ze in drie hoofdstukken over de Barok in diverse delen van Europa maar slecht duidelijk wat nu de Barok typeert. Het lijkt een willekeurige reeks gebouwen, standbeelden, schilderijen en andere kunstwerken die toevallig in ongeveer dezelfde periode zijn gemaakt door kunstenaars waartussen zich enkele verbanden bevinden. Bovendien maken de auteurs het bij het hoofdstuk over Engeland wel erg bont: ze beweren daar dat de Engelsen wat betreft beeldende en schilderkunst genoegen namen met het navolgen van enkele niet-Barokkunstenaars en dientengevolge niets noemenswaardigs hebben geproduceerd, waarna direct wordt overgestapt op de architectuur. Volgens mij een duidelijke subjectieve keuze, zoals die in de rest van deze drie hoofdstukken minder expliciet ook worden gemaakt. Erg jammer en maar snel door naar de Rococo.

Het hoofdstuk over de Rococo is duidelijker: de voorbeelden maken de lezer veel duidelijker wat deze stijl inhoudt, dan de hoofdstukken over de Barok. Wel is bij dit hoofdstuk (evenals bij de vorige paar) de mening van de schrijvers wel erg nadrukkelijk aanwezig. Men lijkt de kunst van de 18e eeuw het hoogtepunt van alle kunst te vinden en ik zou het beter hebben gevonden wanneer men meer ruimte had gelaten aan de lezer om een voorkeur te vormen.

Dan komen we aan bij ‘mijn’ negentiende eeuw. De eeuw van de romantiek en het realisme. En daar neemt de schematiseerdrift van de auteurs wel hele rare vormen aan. Waar ik bij de barok al twijfels had over de kaders van deze stroming is de benaming neo-barok romantiek voor de populaire Franse schilder Delacroix wel het toppunt. Soms zijn mensen niet in hokjes te vangen of is het zelfs beter om uit te gaan van een langere lijn of traditie. De onderdelen beeldhouwkunst en architectuur zijn in tegenstelling tot de schilderkunst dan weer erg leesbaar en begrijpelijk.

Die leesbaarheid zet zich door in de volgende twee hoofdstukken****** over realisme en impressionisme en over post-impressionisme, symbolisme en art nouveau. Duidelijke voorbeelden, abstraheringen en indelingen die nodig zijn om de complexe historische werkelijkheid te begrijpen, zonder in overdreven geschematiseer te vervallen. Een prima hoofdstuk.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog stoppen de auteurs met hun periodische aanpak, maar wordt alles vanaf 1940 per beeldende kunstvorm besproken. De overwegingen hierbij en uitvoering hiervan zijn prima. Als leek zie ik soms niet in waarom een bepaald schilderij, beeldhouwwerk, gebouw of foto bij een bepaalde richting of stroming wordt ingedeeld, maar ook deze hoofdstukken waren  bijzonder goed.

Het laatste hoofdstuk, Postmodernism, tenslotte is goed, maar maakt voor mij nog niet duidelijk wat postmodernisme is. Historicus van je eigen tijd zijn, blijft volgens mij een onmogelijkheid, maar de voorbeelden waren leuk en de teksten prima te volgen.

Al met al is Janson’s History of Art een mooi boek om de kast te hebben staan en een leerzame ervaring geweest. Over het algemeen is het boek goed tot zeer goed, enkele mindere hoofdstukken daargelaten.

*2003
**2004
***2008
****2009
***** voorjaar 2010
******zomer 2010