Kader Abdolah, Het huis van de moskee

Het huis van de moskeeBeoordeling: 4 sterren

Al achthonderd jaar heeft de familie van Aga Djan een centrale positie in de stad. Al zolang ze er wonen brengen ze de geestelijk leider van de moskee voort. De imam is een belangrijk man, maar zeker zo belangrijk is Aga Djan, het hoofd van de bazaar.Als er een radicale stroming onder de ayatollahs ontstaat en Khomeini in Parijs een omwenteling voorbereidt, komt de Iraanse samenleving zoals Aga Djan die kent onder druk te staan. Vrienden worden vijanden. Liefde wordt haat. Zelfs Aga Djan kan het tij niet keren.*

Kader Abdolah schrijft vanuit zijn Iraanse traditie en de Arabische culturen hebben vaak (evenals de Oost-Europese) een wolliger, poëtischer manier van schrijven dan wij gewend zijn. Dat was bij Paravion en De Glembays bijvoorbeeld al te zien. Bij Abdolah is die vorm echter meer in balans met de inhoud dan bij die andere twee boeken. Met de familie die woont in het huis van de moskee heeft Abdolah een prachtig instrument in handen om de ontwikkelingen in Iran in de tweede helft van de 20e eeuw te laten zien. Dat doet hij dan ook magnefiek. Wel storen daarin de herhalingen: sommige zaken worden meerdere keren uitgelegd, soms zelfs vlak na elkaar. Het alwetend perspectief is daar mede oorzaak aan, maar de manier waarop het gebeurt, maakt dat je als lezer soms het gevoel krijgt dat Abdolah je niet 100% serieus neemt.
Het huis van de moskee is geen boek voor de psychologische-romanlezer of ontspannen-bij-de-open-haard-spannende-boekenlezer. Voor lezers met interesse in politiek en geschiedenis is Het huis van de moskee een goed boek, zij het geen echte topper.

*Bron: Bol.com

Mooie zinnenboek – Uit: Kader Abdollah, Het huis van de moskee

“Als je soms verdrietig bent, loop langs de rivier. Praat met de rivier. Hij neemt je verdriet mee.”
“Ik wil niet klagen, maar ik voel een steen in mijn keel,” zei Aga Djan tegen de rivier.
Zijn ogen brandden, een traan liep over zijn wang en viel op de grond. De rivier pakte de traan, nam hem stil in het donker mee en liet het niemand weten.

Uit: Kader Abdollah, Het huis van de moskee, p. 203