K. Porteman en M. Smits-Veldt, Een nieuw vaderland voor de muzen

Een nieuw vaderland voor de muzenBeoordeling: 3 sterren

Dit is het vierde deel uit de negendelige (vier delen moeten nog verschijnen in 2013) Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. De afgelopen jaren lees ik elke zomer een deel. Over dit deel ben ik helaas een stuk minder enthousiast dan over de vorige. Het is nog niet zo erg dat ik maar één of twee sterren wil geven, want ik heb er opnieuw veel van geleerd.

Mijn kritiek richt zich vooral op de vorm: de schrijfwijze en stijl van dit deel. Waar Frits van Oostrom zich een bevlogen middelbare schoolleraar betoond, Herman Pleij de erudiete professor is die we kennen uit de media en Hugo Brems is in zijn deel een visionair met een duidelijke structuur voor zijn deel. Porteman en Smits-Veldt komen niet verder dan de titel ‘samensteller’ of nog negatiever gesteld: ‘opsommers’.

De chronologische opzet van Een nieuw vaderland voor de muzen werkt lang niet altijd even goed en langere lijnen in de  beschreven periode (1560-1700) gaan verloren in de verschillende hoofdstukken. Bovendien wordt er zowel veel parate voorkennis verondersteld van politiek en geschiedenis, als het bijhouden van informatie uit voorgaande hoofdstukken die eveneens als bekend wordt verondersteld. Het boek is veel meer gericht op de vakman dan op de gewone geïnteresseerde lezer en dat was wel het doel van de reeks!

Wat het lezen verder vervelend maakt zijn de opsommingen die regelmatig volgen bij bepaalde schrijvers: welke titels wanneer zijn uitgekomen en dat soms gedurende anderhalve pagina. Bovendien raak je door dit soort details de rode draad van het verhaal soms kwijt: geen mens leest een pil van ruim 880 pagina’s in één keer.

Een laatste algemeen kritiekpunt is de aandacht die vooral uitgaat naar enkele thema’s: de elite, de toppers in de literatuur, religie en educatieve literatuur. Is er niets meer? Is er geen volkskunst? Hoe werkte toneel in de praktijk? En in kleinere theaters? Op straat? Wie zong al die gedrukte liederen? Dat ontbreekt in dit erg dikke boek. Langer is niet altijd beter, details zijn niet altijd verhelderend, selecteren is een kunst.

Tot slot nog enkele opmerkingen bij de verschillende hoofdstukken:

Het eerste hoofdstuk overlapt voor een deel met het vorige deel van Herman Pleij. Je moet er wel even inkomen: zowel qua taalgebruik als inhoudelijk: het noordelijke deel is daarin beter dan het zuidelijke. Het tweede hoofdstuk biedt wat veel aandacht voor individuen, wat zich meer leent voor dieptestudie dan voor een algemene literatuurgeschiedenis. Dit hoofdstuk is wel een van de leesbaarste.

Het vierde hoofdstuk biedt een mooie context aan bij de grote schrijvers als Hooft en Bredero. Zowel bij deze schrijvers als bij de kleinere thema’s in het daaropvolgende hoofdstuk wordt er wel erg diep op zaken ingezoomd. Dat leest in dit geval niet plezierig.

Het laatste (zesde) hoofdstuk is het leesbaarste uit het boek: het lijkt wel door een andere schrijver geschreven. Het mooiste woord in dit hoofdstuk is ‘saucijzenstructuur’ ( het aaneenrijgen van losse verhalen via bijvoorbeeld één centrale hoofdpersoon). Van het nawoord vraag ik me af waarom dit is toegevoegd. De informatie is leuk, maar wat draagt het bij aan het geheel van Een nieuw vaderland voor de muzen?

Getagd , , , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie