Het onderwijs in Nederland: een toekomstvisie

Op Plein66 heb ik al vele malen mijn licht laten schijnen over het Nederlandse onderwijslandschap en als ervaringsdeskundige kan ik zeggen dat het veel beter kan. De overheid doet op dit moment ontzettend veel aan onderzoek, verandering en kwaliteitsverhoging in het onderwijs. Toch denk ik dat het juist zonder die overheid op school een stuk beter zou gaan. De overheid heeft wat mij betreft slechts drie taken als het gaat om het onderwijs:

  1. Zorg dragen voor een goede architectuur
  2. Heldere tussenstations en einddoelen stellen
  3. Controleren en handhaven van de vastgestelde doelen en afspraken

In het navolgende betoog zal ik eerst deze drie zaken verder toelichten, waarna ik zal aangeven welke taken de overheid op dit moment uitvoert op onderwijsgebied die in mijn ogen de taak van de overheid absoluut niet zijn, om te besluiten met de te verwachten positieve effecten van de focus op de drie taken.

De drie taken van de overheid
De eerste taak die de overheid heeft is het ontwerpen van een goede architectuur voor het Nederlandse onderwijs: een architectuur die er voor zorgt dat iedereen de kans krijgt zich ten volle te ontplooien, maar die tegelijkertijd overzichtelijk en helder blijft. In zijn toespraak op het najaarscongres van D66 te Nijmegen in november 2007 maakte Alexander Rinnooy Kan (voorzitter Tijdelijke Commissie Leraren) duidelijk dat er bij de hervormingen in het onderwijs van de laatste decennia nogal wat van de routes die extra kansen bieden voor laatbloeiers zijn verdwenen; drempels zijn hoger geworden, kansen kleiner.

Waar de overheid zich de komende jaren voor moet inzetten is het ontwerpen van een goede nieuwe onderwijsarchitectuur. Daarbij moet niet worden uitgegaan van de huidige situatie, maar op basis van wetenschappelijk onderzoek een zo optimaal mogelijke architectuur worden bedacht, zonder dat er daarna nog mensen op het ministerie of op het Binnenhof overheen gaan. Een aantal ideeën voor een dergelijke architectuur:

  • de middenschool moet terug in de discussie; leerlingen moeten langer de kans krijgen in een heterogene omgeving onderwijs te krijgen
  • daarnaast moet ook de mogelijkheid bestaan voor mensen die behoefte hebben aan een homogene omgeving om na de basisschool direct een onderwijsniveau te kiezen
  • voor leerlingen die graag met hun handen willen werken moet het mogelijk zijn om al vroeg in het onderwijsproces werken, praktische vaardigheden en theoretische kennis te combineren

Ten tweede moet de overheid voor deze nieuwe architectuur duidelijke eindtermen en tussentijdse doelen opstellen. Daarbij moet aan het einde, bij de vervolgstudie en arbeidsmarkt, worden begonnen. Achteruit werkend worden eindtermen opgesteld voor het middelbaar onderwijs, de eventuele middenschool of het einde van het eerste deel van het middelbaar onderwijs en ook het basisonderwijs (waar dat nu nog ontbreekt!). Het advies van de commissie Meijerink dat onlangs is verschenen ondersteunt deze stelling: scholen hebben op dit moment te veel vrijheid voor het invullen van hun curriculum.

In het basisonderwijs zie je dat de CITO-toets op dit moment gaat bepalen wat de einddoelen zijn voor basisschooldocenten. Maar dat is de wereld op zijn kop! Je moet eerst helder hebben wat je stappen en doelen zijn met je onderwijs; pas daarna ontwerp je een toetst die controleert en selecteert: eerst weten in welke stappen leerlingen hun vaardigheden en hoeveelheid kennis kunnen vermeerderen en op een aantal vaste momenten een moment om te controleren of  en in hoeverre daaraan voldaan is.

Dat brengt mij bij het derde punt: controleren en handhaven van de vastgestelde doelen en afspraken. In het middelbaar onderwijs worden de eindexamenresultaten op dit moment voor 50% bepaald door het centraal schriftelijk eindexamen (CSE) en voor 50% door de schoolexamens (de vroegere schoolonderzoeken). Zoals we begin januari in Elsevier hebben kunnen lezen, zijn er scholen die veel hogere cijfers geven bij de schoolexamens om de lage CSE-cijfers te compenseren. Het systeem waarbij een school beoordelaar én belanghebbende is (slechte slagingspercentages zijn geen reclame voor nieuwe aanwas van leerlingen. Middels de schoolexamens is dit percentage op peil te houden), werkt dergelijke problemen in de hand. Daarom moet er door een onafhankelijke instantie aan de finish gecontroleerd worden of voldaan is aan de gestelde doelen.

Het grote voordeel hiervan is dat de overheid dan ook veel minder tijd en energie kwijt is met controles op scholen aangaande de schoolonderzoeken. De overheid bewaakt het niveau middels het eindexamen – zowel aan het einde van de basisschool als aan het einde van de middelbare school – en scholen krijgen veel meer vrijheid om de route naar het einddoel te bepalen.

Wat moet de overheid vooral niet (meer) doen
Met de invoering van de Tweede Fase en het Studiehuis is er iets wonderlijks gebeurd in de Nederlandse onderwijsgeschiedenis. Voor het eerst is de overheid het klaslokaal binnengekomen en is er naast een architectuur voor het onderwijs ook een duidelijke voorkeur uitgesproken voor een bepaalde didactiek. En daarmee is een, in mijn ogen, belangrijke grens tussen ministerie en school overschreden. De overheid hoort niet thuis in het klaslokaal, de overheid hoort niet de didactiek voor te schrijven.

Zoals in een ziekhuis het ministerie van VWS niet bepaalt hoe een operatie moet verlopen; zoals het ministerie van LNV niet voorschrijft hoe een boer zijn koeien moet voeren; zoals het ministerie van OC&W ook niet voorschrijft hoe je hobo moet spelen in een van de nationale orkesten, zo moet ook niet vanuit Den Haag worden voorgeschreven hoe een docent les moet geven. Docenten zijn de professionals die didactische keuzes moeten maken, waarvan zij de resultaten vervolgens door de inspectie moeten laten bestuderen. Het eindstation is het doel, de weg daar naar toe is aan de docent en de school.

Daarnaast was aan het ‘Studiehuis’ de norm van 1040 klokuren in de onderbouw en 1000 uur lestijd in de bovenbouw gekoppeld. Omdat vele scholen deze (niet verplichte) onderwijsvernieuwing niet hebben ingevoerd of zelfs al weer hebben afgeschaft, is de aandacht van staatssecretaris Van Bijsterveld voor deze norm onterecht: het is onmogelijk om met een traditioneel lesrooster 1040 zinnige, kwalitatief hoogstaande uren te geven met de huidige financiering.
Het feit dat van de zestien scholen die over het schooljaar 2006/2007 een boete kregen voor een te klein aantal lesuren meer dan 90% voldoende of zelfs excellent scoort volgens de onderwijsinspectie, geeft bovendien al aan dat er geen één-op-één relatie is tussen het aantal lesuren en de kwaliteit van het onderwijs. De inhoud van die uren is een veel belangrijkere factor.
Ten slotte is dit aantal uren niet iets waar scholieren (getuige de actie van het LAKS), scholen (getuige de ruim 100 scholen die zich binnen een week bij het LAKS aansloten) en docenten (getuige de oproep van de AOB van 24 januari) om hebben gevraagd: het is een lobby van de ouders geweest die door dit minimale aantal lesuren verzekerd waren van tussen de 28 en 30 klokuren kinderopvang. Maar een school is er niet om kinderen op te vangen, maar op te leiden! Als de focus weer bij kwaliteit van de opleiding komt te liggen (voldoen scholen aan de normen en stijgen zij daar zelfs bovenuit) kan een school daar ook op afgerekend worden. De verantwoordelijkheid voor het combineren van kinderen, werk en een huishouden komt dan weer te liggen waar deze hoort: bij de ouders.

Tot slot  moet de overheid niet steeds meer taken bij het onderwijs neerleggen. Niet alleen is in het coalitieakkoord afgesproken dat er een verplichte maatschappelijke stage moet komen voor alle middelbare scholieren, ook in de probleemwijken spelen scholen een rol in het oplossen van de problemen evenals bij het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Deze taken belasten een school dusdanig dat de kerntaak (het overbrengen van kennis en vaardigheden) in het gedrang komt.

Daarnaast subsidieert de overheid vele maatschappelijke organisaties die scholen bestoken met lespakketten. Scholen zijn voor deze organisaties een middel om hun maatschappelijke onderwerp onder de aandacht te brengen. Het merendeel van deze lespakketten is echter niet inzetbaar op scholen. Er moet daarvoor of meer lestijd ingeroosterd worden of er kan minder aandacht worden besteed aan de basisstof. Op dit moment gaat er veel overheidsgeld verloren, omdat subsidiegevers niet controleren of een lespakket ook daadwerkelijk gebruikt wordt. Het mes snijdt aan twee kanten wanneer er bezuidigd zou worden op subsidies voor lespakketten: scholen krijgen meer tijd voor de basisstof en er gaat minder overheidsgeld verloren aan ongebruikte lespakketten.

Wat valt er te verwachten?
Als de overheid zich zou terugtrekken op haar drie kerntaken, wat zou dat dan voor gevolgen hebben voor het onderwijs in Nederland? Ik zie in ieder geval vier belangrijke winstpunten.

Ten eerste zal dit een hoop rust brengen in onderwijsland. De zekerheid van een architectuur in het onderwijs die voor meerdere jaren en decennia vaststaat in combinatie met de duidelijke taakstelling en afstand tussen het ministerie en de scholen zal de meeste scholen de rust geven zich weer te concentreren op haar kerntaak: het overbrengen van kennis en vaardigheden. Niet weten wat de overheid straks weer voor je school in petto zal hebben, is een van de grootste onrustveroorzakers in het onderwijs.

Wanneer er concrete einddoelen vast zijn gelegd, weten scholen waar zij aan toe zijn wat betreft hun taak. Er kunnen niet weer allerlei taken bij worden bedacht en op het ministerie kan ook vooral worden ingezet op het bewaken van de kwaliteit. Het toeschuiven van taken en invloed op de manier van werken is niet langer mogelijk. Op die manier weten alle partijen waar zij aan toe zijn, wat de samenwerking tussen de partijen alleen maar kan verbeteren.

Een derde positief gevolg is dat het de bureaucratie kan verminderen. Zaken waar nu administratie, controle en verantwoording een rol spelen, vallen volledig onder de verantwoordelijkheid van scholen. Enkel de kwaliteit en resultaten van de school worden beoordeeld en enkel daarvan moet administratie worden bijgehouden. Dit levert niet alleen een lagere werkdruk, lagere administratieve druk, maar ook een financieel voordeel op.

Een laatste en maatschappelijk gezien belangrijkste gevolg van de aandacht voor de drie kerntaken van de overheid op onderwijsgebied is dat duidelijk vastligt welk niveau iemand met een bepaald diploma heeft, wat hij of zij kan en weet en dat levert uiteindelijk ook een hogere kwaliteit op. Mensen  weten wat de eisen zijn voor een bepaald niveau en wanneer daar strikt aan wordt vastgehouden, kan het niet meer zo zijn dat leerlingen van de ene school met een havo-diploma een ander niveau hebben dan leerlingen van een andere school. Het schept duidelijkheid voor zowel vervolgopleidingen als de scholen als de arbeidsmarkt.

Op dit moment is de discussie over het onderwijs ‘hot’ en staan de verschillende partijen (scholen, leerlingen, ouders, ministerie,  inspectie) soms lijnrecht tegenover elkaar. Door duidelijke taken en grenzen af te spreken tussen deze partijen kan volgens mij veel rust worden gecreëerd in het onderwijsveld. Daarvoor moet de overheid zich echter wel uit de klaslokalen terugtrekken en zich als architect en inspecteur gaan opstellen. Pas dan kan het onderwijs weer uit leerlingen halen wat erin zit!

Reageren kan via Plein66!

Getagd , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie